mijn taal

Op een zonnige dag van het jaar 1966 besefte Fatima dat het tijd werd haar zesjarige zoontje op de basisschool in te schrijven. Het kind dat ik was, wist niets van school, ook al had het twee oudere broers die al op school zaten. Fatima douchte het kind, koos de mooiste kleren voor hem uit en nam het mee naar school, drie kilometer verderop. Een nieuwe wereld, een nieuw gevoel, een nieuw leven!

Het kind wist echter niet dat het voor de poort van grote ellende stond. Fatima liet het kind in de klas achter. Zijn oudere broers zouden verder voor hem zorgen. Tot dat moment was alles oké, maar daar kwam de meester binnen. Deze begon het kind een paar vragen te stellen, maar het kind verstond de man niet en kon geen antwoord op zijn vragen geven. “Zeg wat je wilt, ik begrijp je niet”, zei het zachtjes. Daar pakte de man direct een stok en sloeg op het kind in: vreselijk! Het kind dat ik was, snapte niets van de situatie. Waarom sloeg de meester mij? Wat was er aan de hand? Het was evenwel simpel: de docent was een Marokkaanse Arabier en sprak geen Berbers en het kind dat ik was, sprak Berbers en geen woord Arabisch.

Door deze ervaring komt het waarschijnlijk dat ik nu zo goed Arabisch spreek en schrijf. Beter dan de Arabieren zelf! Het kind dat ik ben, heeft gelukkig geen haatgevoelens tegen Arabisch en Arabieren ontwikkeld. Maar het heeft wel het gevoel dat het Marokkaan is, een onaangename sensatie, en Berber, een aangename sensatie. Door de jaren heen heeft dit gevoel zich omgevormd in een politieke rebellie tegen machthebbers, die de geest van mensen zomaar verlammen. Just like that! En met de geest bedoel ik taal. Miljoenen mensen in Noord Afrika zijn geestelijk verlamd. Ze worden gedwongen te dromen in een taalwereld die niet van hen is. De taal! De Arabische taal is heilig en de andere talen niet, zeggen ze. Dit omdat het Arabisch de taal van de heilige koran is, en omdat dat zo is, wordt a licence to kill verleend. Andere talen? Ze mogen sterven.

Mijn ervaring met de Arabische taal is verdrietig maar niet uniek. Een jaar of zes geleden werkte ik nog voor de NPS radio. Op een dag benaderde een jongedame mij. Ze wilde een kritisch stuk schrijven over de corruptie van de Marokkaanse autoriteiten. Haar vader was in Marokko hertrouwd – we hebben het over polygamie – en dat zonder toestemming van haar moeder. Haar vader had genoemde toestemming vervalst. Ik adviseerde de dame een gesprek met de Marokkaanse ambassadeur in Den Haag aan te vragen. “Maar hoe? Ik spreek geen Arabisch en zij spreken geen Nederlands,” zei ze… Toen begreep ik wat de jongedame bedoelde. Ze is Berbers en spreekt Nederlands en op de ambassade spreken ze alleen maar Frans en Arabisch. In 1966 kon niemand mij helpen tegen mijn brute leraar, maar nu kon ik zelf wel iemand helpen die in een bijna identieke situatie terechtgekomen was. In mijn radioprogramma las ik op een donderdagavond een satirische column over deze geschiedenis voor. Ik vroeg me af hoe het in godsnaam kon zijn dat de Marokkaanse ambassade een Marokkaanse burger wegens de taal niet kan helpen! Wie is nou Marokkaan? De dame die toch echt wel een Marokkaans paspoort draagt of de ambassade? Dat was mijn vraag. De Marokkaanse ambassadeur van toen bleek de uitzending te hebben gehoord en besloot contact met de dame op te nemen. Daarbij schakelde de ambassadeur overigens wel een tolk in, hetgeen het geheel nog grappiger maakte in mijn optiek. Twee Marokkanen met een derde Marokkaan als tolk ertussen!

Dit soort treurige geschiedenissen zijn mogelijk door het blind geloven in de heiligheid van een taal, in dit geval het Arabisch, en de onderdanigheid van een andere taal, in dit geval het Berbers. Het doet me telkens weer denken aan een uitspraak van de Franse taalkundige Roland Barthes: “Achter elke sterke taal staat een leger”.