Radicalisering neemt steeds toe

De bestrijding van radicalisme onder moslimjongeren in Nederland is sinds een aantal jaren op volle toeren: overheid, samenleving, maatschappelijke organisaties en verschillende instanties zijn er op alle fronten actief mee bezig, op landelijk en lokaal niveau. De Nationale Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTB) is een van de organen die in het leven is geroepen om meer aandacht te besteden aan deze problematiek. Er lijkt voldoende kennis en expertise opgebouwd in het afgelopen decennium, maar het radicalisme lijkt nauwelijks te zijn afgenomen. Bewijzen hiervan zijn niet ver te zoeken.

Zoeken naar spijkers op laag water

De vraag of er iets misgaat in de aanpak van radicalisering is zeer complex en het antwoord daarop ook. De studies en onderzoeken naar radicalisme richten zich meestal enkel op de theologische kant, de rest wordt bewust of onbewust opzij gelegd. Zo is het een trend geworden in de islamitische leer te duiken om zo de wortels van het radicale gedachtegoed te doorgronden. De ene onderzoeker kijkt in de keuken van Ahmad Ibn Hanbal, de ander doet een beroep op Ibn Taymiya, terwijl anderen zich weer beperken tot Mohamed In Abdulwahhab en ga zo maar door. De studie naar deze geleerden om het radicale gedachtegoed beter te begrijpen is op zichzelf niet verkeerd, maar het is niet voldoende. Ook wordt de Koran met name door de tegenstanders van de islam bestudeerd om bewijzen te vinden van een vermeende gewelddadige religie. Maar omdat de islam, zoals andere monotheïstisch religies, in conflictueuze omstandigheden is ontstaan, kan men er moeiteloos gewelddadige teksten vinden. Die teksten worden door zowel tegenstanders van de islam als moslimfanatici gebruikt, ieder met een eigen strategie. Beide partijen zoeken naar spijkers op laag water, want de meeste koranteksten die over geweld gaan, zijn contextueel en niet universeel. Vers 191 van de soera 2 bijvoorbeeld geeft de Profeet en zijn aanhangers slechts toestemming om de Mekkanen van toen te bevechten. Er worden geen Hollanders, Spanjaarden of Fransen genoemd. In vers 47 van de soera 4 verwijst naar de ongelovige Mekkanen en niet naar de christenen of joden, die immers ook gelovigen zijn. Kortom, de Koran verklaart noch de misdaden van sommige moslims noch de afkeer van de tegenstanders tegen de islam.

 

De jihadisten waren onze vrienden

Het begon allemaal ongeveer een kwart eeuw geleden in Peshawar, Afghanistan. De Afghanen gingen de strijd aan tegen de Sovjets en de Amerikanen boden hulp aan de ‘vrijheidsstrijders’ die tegenwoordig Taliban heten. Onder leiding van de Palestijn Abdullah Azzam (1941-1989) vochten veel geronselde Arabieren uit verschillende landen mee. De Amerikanen waren gastvrij en behulpzaam. De ‘vrijheidsstrijders’ werden in speciale kampen getraind om de Russen te verdrijven. Bin Laden en de zijnen waren toen allemaal onze vrienden: ze waren helden en strijders voor de vrijheid van hun volk. En toen vond in 1990 de militaire interventie van Amerika in Irak plaats nadat ze een seintje  gaven aan Saddam dat ze niet tegen de aanval op Koeweit waren. De Amerikanen hebben daarna de publieke opinie over de hele wereld bewerkt, waarop mensen meteen geloofden dat Saddam de veiligheid van de wereld in gevaar kon brengen. De invasie van Koeweit was in feite een valkuil. Het Witte Huis besloot na de aanslagen van 9/11, tegen het negatief advies van de presidentadviseurs in, Irak te bestraffen. Irak werd vervolgens verwoest en geruïneerd waarna de Amerikanen terugkeerden naar huis. Een paar jaar later erkennen de Amerikanen en de Engelsen dat de invasie van Irak verkeerd was. Zo koel als het maar kan, alsof er niets was gebeurd. Irak werd in feite gelyncht en de terroristische bewegingen van nu – Al Qaeda, IS, Jabhat Annoussra en anderen – zijn er geboren tijdens het Amerikaans beleid aldaar. De islam bestaat al eeuwen maar er was nooit sprake geweest van terreuraanslagen in het westen totdat de Amerikanen Irak binnenvielen. Ook zijn er achter de schermen andere spelers die verantwoordelijk zijn voor de verslechtering van de situatie. Wat had het nou met filosofie te maken dat de Franse filosoof Bernard Henri Levy tijdens de zogenaamde Arabische lente actief was in Libië, Irak en Syrië?

Oppervlakkige discussies zijn niet genoeg

De discussies in Nederland rondom radicalisering gaan niet diep genoeg, de werkwijzen zijn niet effectief. De aanpak is tot nu toe zeer oppervlakkig gebleven: wat lezingen hier en daar, een paar trainingen, jonge moslims inzetten als informanten, wat geld naar de moskeeën sturen en ga zo maar door. Niet dat dit verkeerd is, maar het resultaat hiervan is gering gebleken. Wat het alternatief is? Een kant-en-klaar antwoord op deze vraag bestaat helaas niet, maar dat is geen reden om de tot nu toe gehanteerde aanpak niet ter discussie te brengen. Een slechte zaak is het wanneer men niet bereid is om over zijn schaduw heen te springen. Wat ontbreekt in de gaande discussies over radicalisering is de analyse van de gevolgen van het Amerikaans beleid in het Midden Oosten. Alleen dan valt er te communiceren met boze moslimjongeren.